Ach Lieve Tijd.; Foto: fam van Dijk    Editie: 2010-01
Fietsen: zondig of zalig?
Fietsen werd weldra een rage
In het jaar 1900 schreef de columnist van de Meierijsche Courant in zijn rubriek “Brieven van Jan van Stokkum aan zijn neef Dorus", dat hij met genoegen zag dat jong en oud van de fiets gebruik maakten, ook de “mindere man”.
Zelfs jonge dames bestegen het ijzeren ros en gingen alleen of vergezeld van anderen uren ver de vrije natuur in.

Maar het fietsen was niet zonder bezwaar. Jan van Stokkum vroeg zich af of men er niet uithuiziger door werd en of de zeden van vooral de wielrijdsters er niet losser door zouden worden.
En hield het wielrijden de aandacht van de jongeren niet al te zeer geboeid en van de ernstige en nodige arbeid afgewend?
“Hard rijden, vliegen langs de weg, Gods schone natuur doorjakkeren als een sater over het wiel gebogen, dampend en hijgend als een postpaard, dat is voor menig wielrijder de heerlijkste beweging en de schoonste houding”, verzuchtte hij.

Fietsen werd een rage, maar niet voor iedereen. In augustus 1900 verscheen in de krant een advertentie waarin drie fietsen werden aangeboden “wegens aanschaf van een paard”.

Voorlopig zou fietsen hoofdzakelijk een bezigheid voor de zomermaanden blijven.
In 1908 maakte Kerssemakers in Eindhoven bekend dat wielrijders bij hem voor drie gulden hun fiets voor het winterseizoen konden stallen.